Janny de Moor Janny de Moor

Onkuise Paashaas

Waar komt de Paashaas toch vandaan?  Terwijl voor de Paaskaars en andere Paasgebruiken een ordentelijke plaats wordt ingeruimd in onze vaderlandse naslawerken, zoek je de Paashaas tevergeefs. En toch is het een niet onbelangrijk pseudo-dier, zeker commercieel gezien. In Duitsland alleen al wordt jaarlijks zo’n 10.000 ton aan chocolade Paashazen geproduceerd. Als je de voorzitter van het Nederlands Patisseriecollege (club van fijne banketbakkers) aan de lijn krijgt, weet hij je te vertellen dat ook hier in Nederland de vakman tegenwoordig niet zelden chocolade Paashazen van een meter hoog te vervaardigen krijgt, maar waarom, tja, dat moet men hem maar liever niet vragen.

Uit oude Duitse kloosterkookboeken (16e eeuw) blijkt, dat het eten van haas verboden was. Omdat de haas een onkuis, heidens dier zou zijn en je van het eten van hazebout geil zou worden. Je leest dus vaak dat de Paashaas terug zou gaan op ruige voor-christelijke riten, die de kerk dan maar bij gebrek aan een betere oplossing overgenomen zou hebben, uiteraard in gekuiste vorm, dus als baksel of (later) chocolade-figuur.

Helaas voor de theorie-bouwers, de gedachte dat de oude Germanen de haas als heilig zouden hebben vereerd wordt door folkloristen als J. de Jager (Volksgebruiken in Nederland, 1981) bestreden. Het is heel eigenaardig dat er wel vaak geschreven wordt over een belangrijke rol voor de haas bij niet-christelijke volkeren, maar dat harde bewijzen daarvoor volstrekt ontbreken. Integendeel, het staat vast dat de culturen waarop wij voortbouwen, de Egyptenaren, Babyloniërs, Grieken en Romeinen nooit een belangrijke religieuze betekenis hebben toegekend aan de haas.

Hoe komt zo’n verhaal over de onkuise haas dan in de wereld? En hoe is het mogelijk dat juist dit onkuise dier, ondanks het kerkelijke verbod, zo’n grote rol ging spelen met Pasen?

Ach, het is eigenlijk heel eenvoudig. Terwijl de jongen van het konijn (waarvan wij immers altijd zo graag opmerken: “het is bij de konijnen af”) blind en naakt geboren worden, en dus lang in het hol moeten blijven, worden de jongen van een haas ziende en behaard geboren.  Zij verlaten het hazeleger in het open veld al na een paar dagen. Daardoor worden ze vaak het slachtoffer van roofdieren, vooral roofvogels en vossen, waarvoor hazejongen gewoon een basisvoedsel vormen. Wat weer tot gevolg heeft gehad, dat een haas echt zeer veel jongen moest krijgen om als soort te overleven. De eerste worpen vinden in het vroege voorjaar plaats. Soms wel 10 jongen per worp. En zo trof de mens, die op zo’n eerste mooie lentedag het veld in ging, naast onnoemelijk veel eieren, talrijke jonge haasjes aan. Geen wonder dat hij dacht: zo’n haas zeg – die kan er wat van!

De Griekse wijsgeer en natuurkundige Aristoteles (4e eeuw v.Chr.) weidt bladzijden lang uit over de enorme voortplantingskracht van de haas. Zelfs een drachtig vrouwtje zou alweer bevrucht kunnen worden voor de volgende ronde. Sterker, zij zou zelfs jongen voort kunnen brengen zonder besprongen te zijn.  In oude Griekse trouwringen werd vaak de afbeelding van een haas aangebracht als versierend element. De bedoeling daarvan is gezien het bovenstaande wel duidelijk. Niet zozeer religieus, maar volkse humor. Laat het jullie net zo goed lukken!

De monniken van de Middeleeuwen konden als kuise broeders natuurlijk niet ruiterlijk toegeven dat zij zouden kunnen bogen op rechtstreekse ervaring met dit soort zaken. Daarom lazen zij de passages bij Aristoteles over de uiterst vruchtbare haas met rode oortjes. Maar als goede bijbelkenners ontdekten zij ook al snel dat het niet in orde was met dat lekkere beestje: volgens Lev. 11:6 en Deut. 14:7 is de haas een onrein dier, dat niet gegeten mag worden.

Maar waarom dan onkuis? Was de kerk dan niet voor ongebreidelde voortplanting? Kon de haas dan niet tot voorbeeld van de jonggehuwden strekken? Hier moeten wij even teruggaan tot de oorsprong van het in de oude wereld toch wel unieke verbod om haas te eten. Alleen de Sjiietische Moslims hebben dat van de Joden overgenomen. Het verbod in het Oude Testament vindt zijn diepste grond in een (overigens niet algemeen gesteund) streven het Joodse volk zuiver te houden. Omdat de haas bij het eten zo uitgebreid mummelt, verdacht men hem er (ten onrechte) van een kruising te zijn tussen twee verschillende diersoorten, herkauwers (zoals koeien) en knaagdieren (zoals muizen). En zoals het door sommigen als ‘hoererij’ bestempeld werd als een Israëliet buiten zijn eigen volk trouwde, zo was het ‘onrein’ om het produkt te zijn van een abnormale kruising – zo dacht men.

Vandaar dat de Middeleeuwse monniken, na genoten te hebben van Aristoteles, zich weer vroom terugtrokken op het onkuise karakter van de haas. Maar het volk bleef onder de indruk van de potentie van het dier. Toch duurde het tot het begin van deze eeuw voordat men onbeschroomd daarover durfde te schrijven. Zo de Fransman Curnonsky, de ‘erkende koning der gastronomen’, rond 1900: “De haas is het ultieme afrodisiacum [allerbeste de erotiek stimulerende middel, JdM], voor wie weet hoe hij bereid moet worden”.

De Paashaas is dus, net als het ei, een voor de hand liggend symbool van de vruchtbaarheid van het nieuwe natuurjaar. Dat men zo vroeg in het jonge jaar de haas ook een kans moest geven en hem dus niet behoorde te schieten, verklaart – naast de kerkelijke preutsheid – ook waarom hij enkel in de vorm van brood en later chocola verorberd werd.

Een Tiroler broodboek vermeldt dat men met Pasen en op andere christelijke feestdagen gewend was de meisjes een brood-kippetje en de jongens een brood-haasje te geven.Daar staat dan onbekommerd bij: “Het zijn symbolische dieren… zinnebeelden van die eigenschappen, die men de kinderen toewenst: het meisje de vruchtbaarheid en het zorgzame wezen van de hen, de jongen evenzo vruchtbaarheid, maar ook de kracht, de waakzaamheid en de levendigheid van … de haas.” (B. und W.de Rachewitz, Tiroler Brot, 1984, p. 140). Over vreemde kruisingen gesproken …

 

 

Deel publicatie:

More Posts